’s Avonds mocht ik bij grootvader (14) voor het huis op de bank zitten; was het erg warm dan ging ik mee met beide ooms (36 en 41) om te zwemmen in een sloot langs de Geniedijk. Ook ben ik wel meegeweest om ’s avonds een fietstocht te maken, zittende op de stang van de fiets. We reden dan naar tante Hes (15) of tante Dieuwert (23). De eerste woonde aan de Kruisweg voorbij de Sloterweg, de andere in Aalsmeer aan de Ringdijk.
Bij slecht weer speelden wij in de houtloods. Daar kon je boven in de verschillende houtstapels klimmen, of boven de werkplaats, daar was een zolder waar dikke touwen en katrollen lagen. Ook hadden we in de werkplaats voor ons tijdelijk een schommel. Precies om 10 uur riep tante Sien (30) of tante Griet (38) de werkplaats in: “Koffie”; je hoorde dan iedereen het zaagsel van zich afslaan, om binnen in de woonkamer de koffie te gaan drinken. Daarna werd het werk hervat en om 12 uur werd door om Piet (13) het sein “schafttijd” gegeven. Oom Piet (13) ging dan naar huis; hij woonde toen aan de Manegelaan. Daarvoor moest hij de brug over de Hoofdvaart passeren. Ambtenaren van het Gemeente- en Polderhuis wisten te vertellen, dat hij iedere middag op het midden van de brug gekomen, z’n tabakspruim uit z’n mond nam en deze over de leuning van de brug in het water deponeerde.
Ik heb nog gezien dat twee van zijn zoons bij hem aan de werkbank stonden te werken, namelijk Piet en Henk en ook Frits (41) de zoon van Barend (14) was daarbij. Tijdens één van de vakanties dat ik daar logeerde, waren zij bezig met het bouwen van een dubbel woonhuis, schuin tegenover de werkplaats. Deze huizen waren bestemd voor Pille (89) en Dirk (91) Bier, die als ze met pensioen zouden gaan, daar wilden wonen. Beiden waren toen nog bestuurder op de elektrische tram in Amsterdam.
Tante Hes (15) is twee maal gehuwd geweest. Haar eerste man kwam uit Noordwijk Gerrit Waayer was smid en fietsenhersteller in Hoofddorp en later in Amsterdam. De Engelsman Dunlop had de luchtband uitgevonden en de fiets die in de handel kwam, had zo ongeveer het model als nu nog in gebruik is. De fiets met het hoge voorwiel en klein achterwiel was verleden tijd geworden en de “Rover” (zo werd het nieuwe model genoemd) was nu populair. Alleen het leren rijden was nog een probleem; niet voor de gewone man, want die liep net zolang op straat achter de fiets van zijn vader, vrouw of dochter aan totdat ze los konden rijden, maar dat kon toch niet met de dokter, de notaris en hun deftige dames. Tante Hes haar man, Gerrit Waayer, die nu in Amsterdam woonde, had hiervoor een oplossing gevonden: hij kreeg de beschikking over een grote zaal en daar konden de deftige dames en heren met behulp van de knechten uit de rijwielzaak hun nieuw gekochte fietsen leren berijden. Het verhaal gaat verder, dat één van de dames leerlingen een eind maakte aan het eerste huwelijk van tante Hes.
Haar tweede man, Joost Dekker had een kleine boerderij aan de Kruisweg, op de plaats waar nu de snelweg Amsterdam/Den Haag loopt. We zijn daar wel geweest, Het was een flinke wandeling vanaf Hoofddorp, maar een glas zuiver bessensap of geitenmelk was onze beloning.
Dan moesten we mee naar de stal, waar een aantal geiten stonden. Er stond een geit met één hoorn. “Ja,” zei tante Hes “die is een beetje wild, pas maar op, die heeft met vechten al één van zijn hoorns uit z’n hoofd gestoten.” “Zie je die mannen daar in het land? Daar is oom aan het tarwe maaien.” Na nog een glas karnemelk gedronken te hebben, vertrokken wij weer naar Hoofddorp.