De gebroeders P. en B. Klaassen (resp. 13 en 14) vestigen zich per 01-01-1887 als zelfstandige timmerlieden op het adres G.G. Kavel 15, thans Parklaan 30 te Hoofddorp. Zij hebben de zaak samen gedreven tot 5 september 1922 en overgedragen aan Pille Klaassen (36) op 01-01-1923.
Barend Klaassen (14) is overleden op 27-02-1923, 70 jaar oud en begraven te Hoofddorp. Pieter Klaassen (13) is overleden op 03-06-1934, 83 jaar oud en ook begraven te Hoofddorp.
De gezinnen van Pieter Klaassen (13) en Barend Klaassen (14) breiden zich uit. Sommige zonen leren het vak (timmerman, metselaar en schilder) bij de ouders, anderen leren het vak (schoenmaker, broodbakker) elders.
Pieter (13) was altijd in de werkplaats aanwezig om cliënten te woord te staan als dat nodig was en deed alle kleine reparaties die aan de timmerwerkplaats konden gebeuren, zoals een oud raam vernieuwen of een deur herstellen, een nieuwe deksel voor een regenwaterput maken, enz.
Barend (14) was veel op karwei met de hondenkar en verzorgde de boekhouding en de inkopen. Was er een groot werk, zoals het bouwen van een boerderij of landbouwschuur met stallen dan ging Barend (14) naar Zaandam en zocht bij de houtzagerij van de fa. Dekker zelf het hout uit en berekende dan de kosten van het te bouwen object. Om 12 uur liep hij dan naar zijn zoon Jacob (19), die in Zaandam woonde en at die middag in het gezin mee wat de pot schafte. Zo gebeurde het eens dat hij vertelde, dat de eigenaar van de houtzagerij hem een wonder had laten zien. Hij kon er niet over uitgepraat raken.
In de eerste plaats was zo’n stoomhoutzagerij al een wonder, als je zelf een timmerwerkplaats hebt waar alles nog met de hand gemaakt wordt. Nu hadden ze ook het onderhoud van de meelmolen “de Eersteling” die nu op het oude fort staat in Hoofddorp en vroeger aan de Kruisweg in de boomgaard die grensde aan de Parklaan.
Een paard, dat liep te grazen, brak los. Een wiek van de molen sloeg het paard dood en brak af. Zij kregen opdracht de wiek te vernieuwen. Nu bestaat de wiek uit het lange gedeelte wat de roe heet en verder uit dwarslatten waar het zeil op gebonden wordt.
De roe nu is het moeilijkste te maken, hij moet iets gebogen zijn als hij het dichtste bij de molen zit en verder moet hij dunner uitlopen, dit noemt men verjongen of afschuinen. In de lengte moet hij iets gebogen zijn, omdat de uiteinden van de wieken op dezelfde plaats door de lucht zwaaien. Dit noemt men de porring.
En nu het wonder: hij zag in de stoomhoutzagerij de roe kant en klaar binnen één uur zagen, waar zij weken met de dissel (dit is een brede beitel met een lange steel eraan) aan gehakt hadden. Dan komen nog wel de gaten in de roe waar de latten ingestoken worden die alle een andere stand hebben. In de middag werd de bestelling op het kantoor van de zagerij beschreven met de afspraak franco in de Ringvaart of Hoofdvaart van de Haarlemmermeer. De boer waar het werk voor was, zorgde met paard en wagen verder voor het vervoer naar de bouwplaats.
Tot Westzaan ben ik wel eens met zo’n schuit vol met hout meegevaren. Dekknechten brachten de schuit ’s zaterdagsmiddags naar Westzaan door de sluis, gingen dan naar huis om ’s maandagsmorgens om vijf uur a1 bomende en trekkende door het Spaarne in Haarlem naar de Haarlemmermeer te varen en te lossen. Deze reis duurde twee dagen. Zij aten en sliepen in het vooronder van de schuit.
Toen ik in 1912 voor de eerste keer met vakantie bij mijn grootvader Barend Klaassen (14) mocht logeren, ging hij dagelijks met de hondenkar erop uit om kleine karweitjes te doen en dan mocht ik wel eens meerijden. Als ik met een vliegtuig van Schiphol vertrek dan zeg ik nog wel eens “van hondenkar tot straalvliegtuig”.
Zo lang de wereld bestaat, is er nog geen geslacht geweest dat zo’n grote wijziging heeft ondergaan in de samenleving als wij nu meemaken.
Tante Sien (30) en tante Grietje (38), die de huishouding deden, hadden het maar druk, want oom Pille (36) en oom Frits (41) woonden ook nog thuis.
Graag mocht ik bij de smederij van van Driel kijken naar het beslaan van paarden en ook hoe roodgloeiende hoepels om houten wagenwielen werden gekrompen door ze met water af te koelen. Dit moest snel gebeuren, want anders brandde het hout teveel weg en had het krimpen geen effect.
Alles werd, lopende op klompen gedaan; boodschappen doen bij Exter, de kruidenier, en een bezoek brengen aan tante Hes (15) die op de Kruisweg woonde waar nu de snelweg Amsterdam/Den Haag over loopt.
Op 31 juli was het altijd een drukke dag. Dan was Barend Klaassen (14), mijn grootvader, jarig en dan kwamen familieleden en kennissen, sommigen met paard en rijtuig, om te feliciteren.
In 1914 was het op 31 juli een angstige dag. ‘s Middags om drie uur begonnen de klokken te luiden, de mobilisatie van de eerste wereldoorlog begon. Militairen met groot verlof moesten opkomen. De volgende dagen stond het marktplein vol met paarden die de boeren voor het leger moesten inleveren. Enkele dagen later kwamen de honden aan de beurt, die gekeurd werden voor het leger om de machinegeweren te trekken die op kleine wagentjes stonden, die door de waterkoeling te zwaar waren om te dragen.
Het werd een drukte van belang. Militairen kwamen hout halen, genie-officieren liepen af en aan in de werkplaats. Ze reden ook op stoomfietsen (dit was toen de naam van de motorfiets), die op de wegen een nieuwe verschijning waren. Als zo’n genie-officier vertrok, moest oom Frits (41) komen om de motor aan te duwen, want deze hadden geen versnellingsbak, geen kickstarter en geen vrijloop. De motor dreef met een V-snaar rechtstreeks het achterwiel aan. Het fort te Hoofddorp moest in een snel tempo gereed gemaakt worden om de militairen op te vangen die het moesten bezetten. Dit lukte niet helemaal, dus werden ze maar ingekwartierd bij de burgers. Zo kregen tante Sien (30) en tante Griet (38) nog meer werk toen twee militairen bij hun ingekwartierd werden, één kwam uit Losser en de ander uit Willemstad. Ik weet niet hoe lang ze gebleven zijn, beiden waren lid van de Roomse Kerk.